Ook beslagleggers kunnen zich op de bescherming van art. 3:36 BW beroepen. Art. 3:36 BW verleent echter slechts bescherming met betrekking tot de handeling die de derde in redelijk vertrouwen op de juistheid van zijn veronderstelling heeft verricht, bijvoorbeeld het leggen van beslag in het vertrouwen dat de beslagen onroerende zaak vrij van hypotheken was. Het beslag is weliswaar voorwaarde om tot executoriale verkoop te kunnen overgaan, maar het schept als zodanig niet het recht om tot executie over te gaan. Zodanig recht bestaat slechts voor zover (daartoe een toereikende executoriale titel bestaat en) het beslag daadwerkelijk een vermogensbestanddeel van de schuldenaar heeft getroffen. Het beslag strekt derhalve naar zijn aard slechts tot bewaring van bestaande rechten, maar het roept geen recht in het leven. De aard van beslaglegging als middel tot bewaring van rechten brengt derhalve mee dat art. 3:36 BW niet tot gevolg heeft dat de beslaglegger door het enkele leggen van beslag tegenover de hypotheekhouder aanspraak verkrijgt het beslagen goed onbezwaard te executeren.

HR 18 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2640

Spreker

Derk Rijpma
Advocaat Hoge Raad Den Haag

Rechtsgebied

Civiel recht

Project

Vredespaleis Den Haag