Restaurant Inter Scaldes in Kruiningen kreeg vorig jaar een derde Michelinster. Onder juristen was het restaurant natuurlijk al langer bekend als het decor van het Noenmaal-arrest uit 1995 (HR 31 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1688), over de artsen Taams en De Brey die er ‘het noenmaal gebruiken’ en het bloed onder de nagels van gastheer Boudeling vandaan halen.

Het arrest is juridisch niet eens zo spannend, maar illustreert hoe, anders dan weleens wordt gedacht, de feiten van een zaak er in cassatie toe kunnen doen. Cassatieadvocaten benadrukken in hun adviezen dat de cassatieprocedure geen derde feitelijke instantie is. Het hof stelt de feiten vast en weegt de omstandigheden van het geval. Dat het hof ook tot een ander oordeel had kunnen komen, maakt zijn oordeel nog niet ‘onbegrijpelijk’. Toch kan de lezer zich bij dit arrest niet aan de indruk onttrekken dat de feiten zwaar hebben meegewogen.

Die feiten zijn on-Hoge Raads beschreven. De Hoge Raad beperkt zich meestal tot een korte samenvatting, maar nu wordt heel beeldend de opmaat naar het schadeveroorzakend handelen geschetst. (Het arrest is natuurlijk gewezen door een heel college, maar — op het risico af een van de andere raadsheren tekort te doen — het zou mij niet verbazen als wijlen Hans Nieuwenhuis, die ook prachtige boeken schreef over recht en literatuur, een belangrijke bijdrage aan dit deel van het arrest heeft geleverd.) Ik laat de Hoge Raad aan het woord:

“De gebrachte fles Chablis voldeed niet aan de verwachtingen en werd door het restaurant teruggenomen. In plaats daarvan werd een fles champagne gekozen. Het voorgerecht, ‘truffe surprise’, voldeed ook niet geheel aan de verwachtingen en werd slechts ten dele opgegeten. Over de rest van het menu waren de gasten vol lof, behoudens dat één oester — volgens Boudeling ten onrechte — werd afgekeurd en door een andere werd vervangen. De gasten waren niet tevreden over de keuze op de wijnkaart en na overleg werd besloten een drietal halve flesjes witte Bourgogne te laten komen. Het eerste flesje werd geopend en, na voor meer dan de helft leeggedronken te zijn, alsnog afgekeurd, terwijl toen besloten is in plaats van de twee andere halve flesjes een fles Meursault 1978 te laten komen. Nadat deze fles voor ongeveer tweederde deel was leeggedronken werd hij eveneens afgekeurd. Hierna dronken Taams en zijn metgezel nog een fles champagne. Tenslotte werd koffie met cognac gedronken. Nadat de rekening, die in totaal ƒ 725 beliep, was gebracht, vroegen de gasten de sommelier om Boudeling te laten komen omdat zij bezwaar maakten dat de fles Meursault en het opengemaakte halve flesje in de rekening waren opgenomen. Boudeling was de tuin ingegaan omdat hij zich ergerde aan het optreden van de gasten.”

Dan loopt het uit de hand: Boudeling denkt – ten onrechte – dat de gasten ook nog eens zonder te betalen willen vertrekken (het geld zou onder het schoteltje van de rekening zijn gelegd), Boudeling geeft Taams een klap, Taams valt daardoor met zijn hoofd tegen de eikenhouten deur. Taams krijgt later een bloeduitstorting en ernstige gehoorklachten en spreekt Boudeling aan. Het hof wijst de vordering af: de klap was uitgelokt door het gedrag van Taams en was daarom niet onrechtmatig. En al was dat anders geweest, dan had Taams op grond van de billijkheid zelf zijn schade moeten dragen. De Hoge Raad laat dit oordeel in stand.

De afweging van de feitelijke omstandigheden is typisch het terrein van het hof, niet van de Hoge Raad. Toch valt het wel op dat de Hoge Raad niet casseerde. A-G Koopmans had geconcludeerd tot vernietiging van het arrest. Hij schreef dat “de steller van het middel met een zeker talent de verschillende mogelijkheden [heeft] bespeeld die de cassatietechniek op het punt van feitelijke oordelen te bieden heeft”, wat een eufemisme lijkt voor: ‘het middel doet de zaak feitelijk nog eens dunnetjes over’. Maar het middel bevat volgens hem toch wel vier terechte klachten. Kort gezegd: het toebrengen van ernstig letsel – op de ernst van het letsel was het hof niet ingegaan – kan volgens de AG niet worden gerechtvaardigd door uitlokking door pesterijen. Onbegrijpelijk was volgens de A-G waarom de pesterijen van de bezoekers een ernstiger fout zouden opleveren dan een klap die tot ernstig letsel leidt.

Maar wie de bovenstaande feitenweergave had gelezen, weet al dat Taams bij de Hoge Raad niet ging winnen. Het hof had volgens de Hoge Raad “kennelijk” geoordeeld (‘kennelijk’ is Hoge Raads voor: het staat er niet precies, maar we lezen het erin) dat het letsel door de val tegen de deur kwam en niet door de klap zelf. Bovendien had het hof vastgesteld dat Taams was ‘begonnen’, door een armbeweging te maken waarbij Boudeling in het gezicht werd gekrabd. Daar zou men anders over kunnen denken: de val tegen de deur was immers het rechtstreekse gevolg van de (harde) klap en het was Boudeling die Taams eerst had vastgepakt om hem te beletten zonder betalen te vertrekken.

Het arrest is wisselend ontvangen. Annotator Brunner (NJ 1997, 592) las in het arrest dat “het recht van [gewone mensen] geen bovenmenselijk geduld met treiteraars verlangt” en vond dat “een conclusie die het rechtsgevoel bevredigt”. Anderen waren kritisch. Van Maanen (NTBR 1996/2), verdacht de Hoge Raad er zelfs van dat hij zich had laten leiden door een calvinistische inborst waarbinnen zo’n dure lunch, pardon, duur noenmaal niet past (“Waarom niet gewoon een bruine boterham tussen de middag?”), en “calvinisten houden niet van patsers”.

Dat lijkt mij allebei wat kort door de bocht. De Hoge Raad heeft heus geen algemene regel geformuleerd waarin treiteren tot rechtvaardigingsgrond voor het toebrengen van ernstig letsel is verheven. Was dat de bedoeling geweest, dan had daar wel meer over in het arrest gestaan, en had de Hoge Raad, na de uitvoerige feiteninleiding, deze klachten niet afgedaan met een verwijzing naar de door het hof vastgestelde feiten. En er is ook geen reden om a priori aan te nemen dat een duur maal op zichzelf de wenkbrauwen aan de Kazernestraat heeft doen fronsen. Maar uit de zorg die de Hoge Raad aan de feitenvaststelling heeft besteed, kan waarschijnlijk wel iets anders worden opgemaakt: dat het voor de Hoge Raad zwaar heeft meegewogen dat aan de klap dit treiterige gedrag van de artsen is voorafgegaan. Niet dat de feiten het recht ‘opzij zetten’, maar wel dat zulke onsympathieke feiten minder snel zullen leiden tot ingrijpen in een grotendeels feitelijk oordeel van het hof. Cassatieadvocaten doen er daarom ook goed aan om bij hun advisering in het achterhoofd te houden dat de Hoge Raad niet beslist in een abstracte casus en afvinkt of aan formele voorwaarden is voldaan, maar rechtspreekt in de feitelijke context van gebeurtenissen in de echte wereld.

Auteur

Sikke Kingma
Advocaat – partner Pels Rijcken

Rechtsgebied

Civiel recht