Oma had een lievelingskleinzoon (B) die zij bedacht met geschenken en verrassingen. De andere kleinzoon (A), broer van B was een mindere god. Maar gaandeweg veranderde de situatie en draaide om in het voordeel van B.
Oma stierf en onterfde kleinzoon B. Zij bepaalde daarbij dat wanneer B een beroep zou doen op zijn legitieme portie (vader van A en B was reeds overleden) rekening gehouden moest worden met een gift van Hfl 80.000,— die zij eerder aan B had gedaan. B deed een beroep op zijn legitieme portie maar snel bleek dat hij niets zou erven, rekening houdende met de gift. Kleinzoon A was door oma benoemd tot executeur.

Zo kan iedereen zijn(klein)kind “echt” onterven betoogde (de advocaat van) B en trok naar de rechtbank. De rechtbank verlangde aanvullend bewijs en A leverde dit door een notariële getuigenverklaring onder ede van de ex echtgenote van B. Er was een tweede huis van de gift gekocht in Portugal verklaarde de getuigde. De rechtbank oordeel voorshands dat het geldbedrag inderdaad was geschonken en stelt B in de gelegenheid tegenbewijs te leveren. Dit lukte hem niet en van zijn legitieme portie bleef niets over.

B trok naar het hof, maar dat kwam tot hetzelfde oordeel. B, het procedures niet moe, trok naar de Hoge Raad die het arrest van het hof bekrachtigde.

Spreker

Désiré Leijs
Advocaat Shioda advocaten

Rechtsgebied

Erfrecht

Project

Stichting Magna Charta Advocaten