In zijn arrest van 19 juli 2019 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de Staat in 1995 onrechtmatig heeft gehandeld door 350 mannelijke vluchtelingen die zich bevonden op de compound van Dutchbat bij Srebrenica niet de keus te bieden om daar voorlopig te blijven in plaats van door de Bosnische Serviërs te worden geëvacueerd (samen met de overige duizenden vluchtelingen die zich in de zogenoemde mini safe area bevonden, maar niet op de compound). Net als eerder het hof oordeelt de Hoge Raad dat er in dat geval een kans was geweest dat deze 350 mannen niet (net als de andere afgevoerde mannelijke vluchtelingen) door de Bosnische Serviërs zouden zijn vermoord. De Hoge Raad schat deze kans wel kleiner in dan het hof had gedaan (10% ipv 30%). De nabestaanden van de vermoorde mannen hebben daarom recht op vergoeding door de Staat van 10% van de schade die zij door de moorden hebben geleden. Voor het overige heeft de Hoge Raad de vorderingen van de nabestaanden verworpen. Dit geldt in het bijzonder voor de periode vóór de evacuatie, toen de Staat nog geen feitelijke zeggenschap (effective control) had over Dutchbat (maar de VN) en voor het in goede banen leiden van het afvoeren van de overige vluchtelingen; volgens de Hoge Raad zouden zij hoe dan ook zijn gedood. Het arrest van de Hoge Raad is hier te vinden: uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2019:1284&showbutton=true&keyword=srebrenica

Spreker

Jerre de Jong
Advocaat bij de Hoge Raad

Rechtsgebied

Civiel recht

Project

Vredespaleis Den Haag